Brief van iemand die zijn geliefde achter moet laten


Lente, en het land ligt groen

Onder de gele zon.

Wij liepen samen door dat land, jij en ik

En wisten niets van wat de toekomst brengen zou.

Zal je dikwijls aan me denken

Als de bloemen openspringen ieder jaar?

Als de aarde groeien gaat?

Men zegt: de dood is toch het einde.

Maar mijn liefde kent geen dood.

Zoals de zon, die eens ons hart verwarmde,

Zo zal de liefde bij je zijn, des nachts,

Als ik ben heengegaan,

En eenzaamheid verschijnt

Voordat je dromen zijn uiteengedreven

Door de dageraad.

Zomer, en nooit hoorde ik de vogels

Zo hoog en helder zingen

Dan toen men mij zei, dat ik je moest verlaten,

Voor een tijd.

Nooit zag ik de hemel zo diep en blauw

Dan toen ik wist: ik word niet oud met jou.

Maar liever toch jouw liefde kennen,

Dan miljoenen jaren leven

En niet weten van de liefde.

Laten jij en ik, wij samen,

Denken aan die dagen en die nachten

Voor altijd.

Herfst, en de aarde gaat weer sterven

En blaren worden goudbruin aan de bomen.

Denk aan mij, ook in de herfst, als ik met je wandel,

Als vroeger, een straatje om, in de schemering,

Al houd ik je niet meer bij de hand.

Winter, en misschien is er dan eens

Een andere haard, een andere kamer,

Een knappend vuur, de geur van rook

Je draait je om en dan ineens zijn we weer samen;

Ik hoor je lach, streel je gezicht

En houd je dicht tegen me aan.

Maar tot die tijd,

Als eenzaamheid je overvalt

Een winteravond, als het sneeuwt,

Bedenk: al nam de dood mij mee,

De liefde verlaat je nooit.

Orville Kelly